|
Proloog Hoofdstukken Epiloog
Hoofdstuk
123456
Homo islamicus
Waarin de auteur de gedachten wil lezen van de homo islamicus. Hij dringt door tot de islamitische plicht, de Arabische suprematie, het dekolonisatie-trauma, de ‘mythe van de oemma’ en ‘het spook van de zuivere islam’. Hij reist af naar Duitsland, Frankrijk, Suriname en Indonesië.
“Bij deze beschrijving van de homo islamicus laat ik een hoge stapel boeken links liggen. Het zijn de inleidingen in de islam. De ‘Islam voor beginners’-boeken die ik ken, maken een zinnig mens moedeloos. Ik heb me door sommige heen geworsteld. Maar het is soms om gek van te worden. Al dat Arabisch. Al die splitsingen in scholen, waarvan je zo slecht kunt bepalen of het relevant is om ze te kennen, of te onthouden. Sjiieten en soennieten, ahmadia’s, salafisten, soefi’s, de vier rechtgeleide Kaliefen, vijf zuilen, wahabitische en malikitische wetsscholen. Al dat gehannes tussen de verschillende jaartellingen. Die van de profeet Mohammed en die van de profeet Christus. Karen Armstrong – een uitgetreden Engelse non – heeft fantastische inleidingen geschreven, waarin ze opkomst en ondergang van de islam in alle mogelijke facetten heeft beschreven. Ik heb haar werk gelezen, en er blijft wel wat hangen, maar het meeste is meteen weer vergeten. Inleidingen in de islam zijn een mer à boire. En dat is nu net wat je niet wilt. Je zou iets willen begrijpen van de moslims om ons heen, van de Europese moslim bijvoorbeeld. Je wilt verklaringen en inzichten. Geen mer à boire, maar een maatglas.
Een van de kenmerkende trekken van de islam is, dat er geen instituut bestaat dat de totale organisatie van de religie op zich heeft genomen. Zoals de katholieke kerk dat wel doet, met een duidelijke hiërarchische organisatie, die van de paus – de hoogste in functie – via kardinalen, bisschoppen en priesters tot aan eenvoudige monniken de bevoegdheden regelt. Het is een sympathiek kenmerk van de islam dat elke man die knielt in de moskee maar één gezag boven zich weet, namelijk God zelf. Maar dat gelijkheidsbeginsel in de islam heeft ook een nadeel. Elke gelovige moslim mag zich imam noemen. Elke gelovige moslim is ook imam zodra een aantal mensen hem aannemen als imam. En dus zijn ze er in alle soorten en maten. Sommige zijn oplettende en bevlogen leerlingen in de godsdienstles en niet ouder dan twintig jaar. Andere zijn al op leeftijd, gepokt en gemazeld in de theologie doordat ze bijvoorbeeld gestudeerd hebben aan de Al-Azhar universiteit van Cairo, het instituut dat in de Arabische wereld als meest gezaghebbend staat aangeschreven. Beiden zijn imam. Het gezag dat ze hebben is het gezag dat ze krijgen.
Dit verklaart ook de verwarring in Nederland rond imam Abdullah Haselhoeff. Na de terroristische aanslagen van 2001 waren de media in Nederland op zoek naar zegslieden. Mensen die het gevoel van de moslims over allerlei kwesties kenden en ‘hun gevoelens’ wilden vertolken in helder verstaanbaar Nederlands. Steeds verscheen dezelfde imam op televisie, die met zijn goed verzorgde baard het juiste voorkomen had. Fris, blakend van zelfvertrouwen en gezondheid. Pas na verloop van tijd bleek hij een ‘beginner in het vak’ te zijn, die het hoofddeel van zijn taken had in de bejaardenverzorging in een tehuis ergens in Zuid-Holland. In Nederland ergerden grote groepen moslims zich aan het optreden van de man. Pas toen zijn status werd verhelderd, nadat hij al meermalen voor miljoenen niet-moslimse journaalkijkers de gevoelens had vertolkt van de Nederlandse moslimbevolking, viel hij van zijn voetstuk. Strikt genomen viel hem niets te verwijten; de redactie van het NOS-journaal had te snel conclusies getrokken. Een imam is een imam, dachten ze. Dat was een grote vergissing.
Een imam is een imam als hij het gezag en vertrouwen krijgt van gelovigen. Als dat gezag wegvalt, is hij geen imam meer. Als mensen hem erop aanspreken is hij het weer.”
|