hel
ander



Bart Brandsma
Het boek
Lezingen-Trainingen
Actualiteit-Weblog
In de media
Contact
Links
Proloog Hoofdstukken Epiloog

De hel, dat is de ander
Waarin de auteur het toneelstuk van de filosoof Sartre Met gesloten deuren vergelijkt met de situatie in Europa.

“Met dit toneelstuk werkt Sartre zijn zware filosofische hoofdwerk l’Etre et le Néant uit in de vorm van een toneelstuk. Prachtig. Hij analyseert in zijn filosofie wat ‘de blik van de ander’ teweegbrengt in het leven van de mens. De drie spelers zijn tot elkaars blikken veroordeeld, zoals ook de moslim en de niet-moslim tot elkaars blik zijn veroordeeld. Moslim en niet-moslim wonen in één en dezelfde ruimte, in Europa. Vroeger hoorden de twee over elkaar, de moslim en de niet-moslim, en konden ze zich vrijblijvend voorstellingen maken van het leven van de ander. Ze hoorden van culturen en buitenissigheden en konden daarover oordelen, de vreemde cultuur wel of niet waarderen, maar telkens was er ook de gelegenheid terug te stappen in de eigen werkelijkheid. Voor de niet-moslim was dat het vertrouwde Europa, waarbij hij de wereld van ‘de ander’ ergens aan de buitengrenzen van het continent wist. Dat is niet meer.

Garcin doet in Huis Clos al heel snel twee ontdekkingen. ‘De huisknecht van de hel’, die Garcin zijn kamertje binnenleidt, waar de andere twee bewoonsters nog moeten arriveren, heeft iets vreemds in zijn oogopslag. Hij knippert niet met zijn oogleden. En dan ontdekt hij dat hij dit zelf ook niet meer kan. In de hel wordt niet geslapen. Knipperen met je ogen is de kleinst denkbare ontsnapping, een minimale mogelijkheid om afstand te nemen, om je terug te trekken. Dat kan niet. De opsluiting met de ander is permanent. De opsluiting met jezelf is permanent. Garcin vraagt zich af: ‘Moet ik zonder oogleden leven? Ik kan niet meer slapen… Hoe zal ik dat kunnen uithouden?’ De andere ontdekking doet hij als de twee dames zijn gearriveerd. Ze maken afspraken met elkaar, want ze zinnen op manieren om zich niet door hun gezamenlijk lot te laten vangen; zo dicht op elkaar, voor de eeuwigheid. ‘We moeten onder elkaar de uiterste beleefdheid in acht nemen,’ raadt Garcin de anderen aan. Dat mislukt al snel. Een ander voorstel dan, opnieuw van Garcin: ‘Ik heb niets tegen u en ik heb niets met u te maken. Niets. Dat is zo eenvoudig als wat. Dus kijk: ieder in zijn hoek, dat is de beste opstelling. U daar, u daar, ik hier. En stilte. Geen woord meer. Dat is niet zo moeilijk, niet waar? Ieder van ons heeft genoeg met zichzelf te stellen. Ik geloof dat ik tienduizend jaar zou kunnen blijven zwijgen.’ ‘Moet ik zwijgen?’ zegt Estelle. Garcin: ‘Ja, dan zijn we gered. Zwijgen, in jezelf kijken, en nooit het hoofd oprichten. Is dat afgesproken?’ ‘Afgesproken,’ zegt Inès. ‘Afgesproken,’ zegt Estelle. Ook dit mislukt.”